Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 bewtjs voor het voorbestaan

dan vast, dat her gemelde vóorbeftaan inwendig mooglijk zij.

En de uitwendige mooglijkheid daarvan is niet minder zeeker. Zon 'er toch wel imand, die het aanzijn van een oneindig volkoomcn weezen gelooft, gevonden worden, die zou durven fttllen, en ftaande houden, dat God, indien Hij wilde, dat vóorbeftaan,, niet konde fchenken aan dierlijke zaaden of beginzelen? ik denke neen! En niet zonder reeden: want 't ontbreekt Gode zeeker aan geen magt, om dit te konnen; noch aan goedertierenheid, om zulks te willen doen; noch aan wijsheid, om tot dat einde de beste middelen onfeilbaar te gebruiken. — Is'het dan voorde hoogst vol naak te oorzaak van het beftaan der dierlijke zaaden, of beginzelen mooglijk, dat deeze voorhjlaan hebben, zo is der zeiver voorbeftaan ook uitwendig mooglijk. Ik gaa verder, en zegge: de zaak is ook 2. Waarfchijnlijk; deels uit aanmerking van het weezen der zaaden of beginzelen zelve, als waaruit zij blijken een vermogen te hebben om te konnen beftaan, en naar hun eigen aart te konnen Ieeven, en alzo in hunnen ftaat te volharden. Maar nu is die magt immers niet te vergeefkh aan dezelve bijgezét. — Heels t uit vergelijking

van

Sluiten