Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODDELIJKE WIJSHEID. 145

XLV: 1-6, zoo zeeker derhalven, als die daaden Godlijke daaden waren, en die Voorzegging door de uitkomst bewezen wierd waarheid te zijn, even zoo onwederfpreeklijk waar moet dat leerftuk weezen : Er is maar één Godi

God is de Opperheer der wereld, en hij regeert onafgebroken daar over. Dit leerft.uk wordt in den Bijbel overal, ert met opzicht tot alles wat er is, en gefchiedt, geleerd, 1 Kon. III: 13* Pf. XXXIII. CIII. CXXXIX. MattfaVh^&c. Hand. XVII &c. en deze waarheid is in haar aard zeer gefchikt om door daadelijke proeven bewezen te worden, welke ook in den Bijbel in zeer grooten getale en verfcheidenheid voor handen zijn. Deze gevallen zijn meestal van die natuur, dat zij ons leeren: Gods Regeering beftaat niet flechts daar in, dat alles zich natuurlijk en van zich zelve ontwikkele, overi eenkomftig eene in den beginne vastgeftelde inrichting; maar, er heeft een werkdaadige invloed van God plaats op de dingen der wereld 4 op zulk eene wijze, en waar, en zoo dikwijls het hem goeddunkt. Zulk eene regeering leert ons de Bijbel, en de ftaalen , welke hij daar van opleevert, zijn zoo veele daadelijke bewijzen , van eenen voordduurenden Godlijken invloed op alles; zoo zeeker nu, als deze gevallen zijn, zoo zeeker is ook die leere der Schrift, want deze drukt alleen in woorden uit, 't geen God door daaden vertoonde, naamlijk: Hij werkt en doet overal, wat, wanneer, waar, en zoo als hem behaagt.

God, als een eigentlijk Richter, vergeldt een ieder naar zijne werken. Dit leert de Bijbel. Wij hebben voorheen gezien , dat dit boek volmaakt overeenkomftig de ondervinding ons lee«

II. Deel. K rei

Sluiten