Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bespiegelingen. 31

en. tot de Itoutlïe vindingen aangefpoord.

Hoe veele Goden tog, vergoode Helden, Nymphen, Faunen &c. bezielden, verleevendigden niet, voor hen, alle de toueelen der hemelfche geweften niet alleen, maar ook van deezen aardbodem? Men kon geen ftap, in 't veld, op dc bergen, in de bostenen, ja zelfs op de zeeën doen, of men vondt zig, van alle zyden, met hooger Weezens, omringd, met dewelken een ieders verbeeldingskragt zig reeds gewend had, een foort van gemeenfehap te houden, en tot dewelken men , in allerlei geleegenheeden, zynen toevlugt nam; terwyl de dichter in 't byzonder dezelven altoos gereed vondt, om hem te hulp te koomen, zoo ras hy eenige buitengewoone en de kragt der menfehen overtreffende werking nodig had. — De hemel had zyne Goden, die 't Heelal, en wel byzonder de verheevener lugtgeweften beftierden. De zee ftondc

on-

Sluiten