is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONEINDIGHEID, enz. IV. Verh. 229

Zei een volmaakt begrip hebben van God, dan moeft deszelfs begrip met alle Gods Volmaakthe* den naauwkeurig" overeenkomen, dat echter ineen eindig verftand nooit , maar alleen en ten vollen in het Oneindig Verftand van God kan gevonden

worden. Wat een eindig verftand ten vollen

kan begrypen, moet ook een eindig voorwerp zyn, het welk voor vermeerdering, en by voeging van hoedanigheden, vatbaar is; dat moet ook bepaald, meetbaar, en met andere fchepzelen re vergelyken zyn. Kon nu God volmaakt van het fchepzel begrepen worden , waar bleef zyne Oneindigheid , en Onmeetbaarheid ? Zoo min dan als het; eindige met het Oneindige kan in vergelyking komen , zoo min is ook het laatfte voor het eerfte begrypelyk. De eindige , zeer bekrompene, en alzins bepaalde vermogens van een fchepzel, brengén altoos en onaffcheidbaar meede, dat het on-. vatbaar, en buiten ftaat zy, om het Oneindige duidelyk en ten vollen te konnen begrypen.

§. XXIV. Van die waarheid, die wy thans bewyzen , moeten wy ook overtuigd ftaan, wanneer wy op den oorfprong, of de beginzelen van der fchepzelen kennis letten. Alle kennis die een fchepzel van God heeft en hebben kan, is of eene ingefchapene, of eene verkreegene kennis. Maar geen van beiden kan ons ooit een volmaakt begrip van God unieveren. De eerfte, die het oorfprongelyk cieraad, en eerfte luiftef van het redelyke fchepzel was, was zoo volmaakt niet, of zy kon èn moeft door de laatfte meer beXchaafd, verbetP a kw.

Noch onze ingefchapene, noch verkregena kennis kan hier voldoen.