is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONEINDIGHEID, enz. IV.Verh. 233

zamenftelling, en Eigenfchappen, nagefpeurd wordende, allen vlyt en fchranderheid te leur ftellen, en zich flechts in hunne uitwendige fchorffè laaten befchouwen, zonder dat men tot derzelver inwendige gefleldheid doordringen, en daaromtrent met cluidelykheid en zekerheid iet zoude bepaalen konnen. En welke geheimen doen 'er zich niet

op in de beweeging der ligchaamen, waarvan alle hunne verfcheidenheid , en alle hunne veranderingen afhangen ? Hoe onvolmaakt is de bevatting der belle natuurkundigen omtrent de natuur, de wetten, en uitwerkzelen der beweeging? Ontzien zich nu, om geen meer byzonderheden van het onbegrypelyke in het uitgebreide natuurryk aancehaalen, (u) de befte onderzoekers niet van edelmoedig te belyden, dat, hoe meer zy van de natuur leeren kennen , hoe meer zy vinden, dat hun on ■ bekend blyft, en dat het flechts een zeer klein deeltje van het geheel is , ja naauwelyks het uitterfte van Gods werken en wegen, dat zy kennen ?

Hoe veel te minder zyn wy dan in ftaat, om Hem, die ons , en al wat buiten ons in dit Geheel-al is, op eene zoo wonderbaare en onbegrypelyke wyze gemaakt heeft, ten vollen te konnen begrypen. De menigvuldige byzonderheden, die P 5 ' zich

(u) Sgheuchzer in het aangehaalde werk , Nieüwentyo in bet rechte gebruik der Wereldbefcbouwing, en byzonder in de befchouwing van het onbekende bl. 893. feqq. geven hier overvloedige voorbeclJen op: gelyk ook met aangenaamheid hier omtrent gelezen kan worden Werenfels. Medst. de Atomis. Opp. T. 11. p. 153.