is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONEINDIGHEID, enz. IV. Verh. 235

onbekende; en uit die betoogde waarheid, dat God Onbegrypelyk is, geenzins verfchoning zoeken voor eene traagheid in het eerbiedig onderzoek van Hem, of in de neerftige pogingen , die wy, om in de kennis van Hem te mogen toenemen, fchuldig zyn te befteeden. Wy moeten ons wachten, dat wy het Onbegrypelyke niet te verre uitrekken, als of alle Godgeleerde en Wysgerige verhandelingen en zamenitellèlen van God, iedel en vruchteloos waren. Want indien wy geen redelyke kennis van God konden hebben, dan konden wy ons verliand, en onze reeden , niet tot eer van God belleden, noch door eenen redelyken dienft Hem verheerlyken. (§. 19. n°. 2.) Echter blyft ons van dat

geene, dat wy begrypen in God te zyn, onbegrypelyk het Hoe, de innerlyke natuur, en het vol' maal, te van zyne Volmaaktheden. Wy weeten, by voorbeeld, dat God noodzakelyk bellaar, en, van zich zelve, uit kracht van zyn Weezen, beftaat; wy konnen ook duidelyk begrypen, dat indien Hy niet van zich zeiven waare , maar van een ander beftondt, dat Hy dan geen God konde zyn , gelyk by de betrachting van zyne Onafhangelykheid gezien is. Maar hier naderintedringen, die uitdiukking , God is , of bejiaat van zich zeiven, cn, boe hy van zich zei ven beftaat, in zyne mogelykheid, natuur, en hoedanigheden , klaar te ontvouwen , duidelyk te begrypen , en anderen verftaanbaar voorteftellen, is eene onmogelykheid voor het fchepzel, daar ontdekt zich het Onbegrypelyke Gods. Wy weeten ook en konnen