Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3a

OVER GODS

I t

i

Vervolg der vergeljking.

Deeze en zoortgelyke zwaarigheden tegen het evoelen, het welke aan de ftof een denken toe'igent, laaten zich zoo min oploffen, als het doelelyk is, om de tegenwoordigheid van een begrip n een denkend Weezen overeentebrengen met de rertooning van een ligchaamelyk beeld in een fpierel, of op eene tafel: nademaal tuffchen beiden 'en hemelbreed onderfcheid blykbaar zal befpeurd vorden.

Uit deeze gemelde redenen (§. 13--15O beflui' en wy dan, dat het denken zoo iet zy, hetwelk reenzins in een ligchaam vallen kan; datbygevolg 'en denkend Weezen van eene geheel andere nauur zy , dan een ligchaam , en daarmeede geen Temeenfchap hebbe. Is nu God een Allervolmaakt! Weezen , is het denken ontegenzeggelyk eene volmaaktheid, die wy ons voorftellen te behooren tot het denkbeeld van God, (§• 12.) dan volgt ook, dat het denkbeeld van God onbeftaanbaar is met het denkbeeld van een ligchaam (§. 11.) Dus wy van God niet anders kunnen denken, of Hy moet een Geeft zyn.

§. XVI. Zien wy verder wat het denkbeeld van de Godheid influite, de Onafhangelykheid, namelyk de Oneindigheid, de Onmeetbaarheid, deOnbegrypelykheid , de Onveranderlykheid, de Eeuwigdat werktuig haar gebruik maakt, en daarmeede zoo nanuw verknogt is, naar deszelfs gefteldheid zich ook houde, en werkzaam zy ? volgt daaruit, dat ziel en ligchaam voiftrekt geen onderfcheidene Weezens zyn?

Sluiten