is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V6

OVER GODS

eeuwigheid geweeft zou zyn. Het een en ander kan men, zonder menigvuldige en de openbaarde on* gerymdheden en tegenftrydighedeu te ontmoeten j niet omhelzen. Het denkbeeld van de Eerfte Oorzaak , de Onafhangelyke Werkmeefter van 't Geheelal, deszelfs voortbrengende en eind oorzaak te zyn, kan niet gefcheiden worden van het denkbeeld eener onafhangelyke , geduurige, en volmaakte werkzaamheid, en hierin beftaat Gads Leeven. En de Onafhangelykheid Gods , zyn volftrekte Beftaan, dat Hy van zich zelven heeft, is in zeekere opzichten een en het zelfde met zyn Leeven. (b) Ook zoude het beltaan van een Weezen zender leeven of werkzaamheden , voor dat Weezen zelve, noch voor andere dingen van geen nut of voordeel konnen zyn: het zou om het eeven zyn , en als onverfchillig moeten aangemerkt worden, of het beftond, dan of het niet beftond, en dus kon voor het beftaan van zulk een Weezen geen noodzaakelykheid zyn. Begrypen wy echter God als volftrekt noodzaakelyk beitaande, dan konnen wy Hem ook geenzins voor een leeven - of werkeloos Weezen , maar moeten Hem als een

nood-

Cb) Hierom is het niet aftekeuren, wanneer zommigen^; Leeven Gods befchryven als eene geduurzaamheid van zyne Natuur. Meijer Metapb. §. 884. Ook verdient hier opgemerkt te worden, dat bei zyn (ro hvou) byde Grieken dikwüs bet leeven , en in tegendeel bel met zyn (eux iivxi) den dood betekene: van welke betekenis men in gewyde en ongewyde Schriften voorbeelden heeft. Vid. Schuchter Des. Sacr. p. 136.