is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEEVEN. VIII. Verb.

9?

noodzaakelyk werkend ofleevend Weezen aanrher» ken. (c)

Uit de Volmaaktheid van God vloeit het insgelyk, dat hy leeft, want het Leeven, of die werk* zaame ftaat, die daardoor wordt uitgedrukt, ison* tegenfpreekbaar een voortreflyker {laat, en eene volmaaktheid, boven eenen werkeloozen of enkel lydelyken toeftand. In dit laatfte geval zou een onderwerp, indien het tot eenen werkzaamen ftaat •kwam , door eene andere oorzaak van buiten bewoogen, geholpen, en om dus of zoo te werken, bepaald worden. Het lydelyk voorwerp zoude, bygevolg, ook van die beweegende of werkzaammaakende oorzaak af hangen, en in derzelver macht zyn. Dewyl nu zoo iet niet, zonder de grootfte ongerymdheid , kan of mag aan God toegefchreven worden, zoo blykt het , dat men Hem moet ftellen te Leeven op de volmaaktfte wyze. Indien men eenen God zonder Leeven wilde ftellen, men zou zich flechts eenen afgod vormen, buiten ftaat, om eene voortbrengende oorzaak van dit Geheeial te konnen zyn , onvermogend om deeze weereld te kunnen regeeren , onwaardig onze aanbidding, dienft, en vreeze, onverfchillig omtrent goed of kwaad , en onbekwaam tot belooning of vergelding van deugd of ondeugd. Het Leeven dan flemt naauwkeurigft overeen met alle de Eigenfchappen van het Opperweezen; gelyk in tegen-

II. D. G deei,

(c) Dit bewys is nader uitgevoerd door den Heer F. WiTteveen in de Stolp. Verbandetingtn 1764. uitgegetSxeu bl. 45. 46.