Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WYSHEID. X. Vërh. 357

temperen ir. hunne ftreeken de hitte en koude. — Zy zyn de bewaarplaatfen van de onderaardfche fchatten , van zoo veelerlei mynftoffen , van de koftelyke en nuttige metaalen , van meenigerleï fteenen, die in hunne hooien en ingewanden verborgen liggen : — deeze vruchtbaare woe-

ftenyen eene meenigte van boomen, planten, en kruiden voortbrengende, die of in de vlakke landen niet gevonden worden, of daarvan verfchil» len,leeveren het voedend onderhoud uit voor duizenden van leevende fchepzelen , die ook op en by de bergen een gezond' en veilig verblyf vinden:

door de verlcheidenheid dié zy over de

gedaante van den aardbodem verfpreiden, dienen zy ook merkelyk tot deszelfs fieraad in 't oog van

de opmerkzaame' befcnouwers: terwyl zy

ook, gelyk zommige denken, tot onderhoudt vanhet evenwicht der. aarde , en ter bevordering vanden onbelemmerden omdraay om haare afpunten ,

het hunne zouden toebrengen. Moeten niet-

deeze hoogten der aarde ons tot de hooge Wysheid van den Schepper- opleiden, die om zyneMachtige Goedertierenheid aan zyne fchepzelen te betoonen, zulke groote gevaarten daartoe tot middelen geordend heeft , en met eenen roemwaardigften uitfiag gebruikt: die de bergen ingevefteP heeft, en deed opryzen door zyne kracht, die debergen gewoogen beeft in zyne maate , ende deheuvelen in eene weegfchaal, die hen drenkt uitzyne opperzaalen, en doet rooken , als Hy zo aanroert

Z 3 | XXX>-

Sluiten