Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

522 OVER GODS

aandringen, en van daar pleitredenen neemen, om hunne fmeekingen te onderdennen, en ter vervulling van de reine begeerten van hun hart den Algenoegzaaraen te beweegen, weetende , dat Hy machtig is, meer dan overvloedelyk te doen, boven al dat wy bidden ofte denken, naar die kracht die in ons werkt. Dus in de gebeeden op de Almacht zich te beroepen ende te pleiten, was de praktyk van veele Heiligen , en van den Heiland zelve belaft, wanneer Hy zyne Leerlingen in 't dot van de volmaaktde bedefchets, ook met die betuiging tot God deed naderen, want uwe is de kracht.

Uit aanmerking van deeze Eigenfchap, vinden Godzaligen zich ook gedrongen, om in tegenheeden , rampen en elenden van dit leeven, in een bezef van hunne afhangelykheid en nietigheid zich te vernederen onder die krachtige hand van God. Nederigheid voor God en menfchen, eerbiedige onderwerping aan zyn vrymachtig bewind over al het gefch.ipene, lydzaamheid onder het kruis, dat zyne machtige hand om tedraagen oplegt, zonder te twiilen mee den Almachtigen of bedillen van zyne weegen, zyn plichten waartoe zyne Almacht ons dringen moet.

Deeze eindelyk levert eenen derkden grond van hoop en vertrouwen uit. En om door hec betrachten van deezen plichc de Goddelyke Almachc ce verheerlyken , zyn 'er voor Godzaligen de grootde reedenen: Hy dog is die God die het Geheelal uit niet gefchapen heefc, en noch onderhoudt, die alles naar zyn Welbehagen, en tot zyne Heerlyk-

Sluiten