is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRYHEID. XII. Verb. 8?

veel grond mogen vragen , waarom God den menfch een lichaam , waarom hartstochten , gegeeven had, dewyl den menfch zoo wel nadeel» als voordeel daaruit ontftaan kan ? En met welke reedenen kan de menfch zyne vorderingen onderfteunen , om zulk eene vryheid van het begin af te moeten ontvangen hebben, waardoor het hem onmogelyk was, om te kunnen zondigen, dewelke de Milde en Vrye Geever hem wyslyk beftemd ha J tot eene belooning , indien hy in de fchuldige gehoorzaamheid zou ftandvaftig gebleeven zyn? Waarom moeft God andere vrye fchepzelen buiten den menfch, waardoor deeze verzocht en beproefd kon worden , dit gebruik van hunne Vryheid benomen hebben? Doch dewyl deeze tegenwerping, voornamelyk de Goddelyke Goedertierenheid raakt , moeten wy by derzelver betrachting hier over nader ons uitlaaten, terwyl het gezegde ter verdeediging van Gods Vryheid kan genoeg zyn, en ons doet zien, dat God zyne Vryheid in 's menfchen eerften ftaat verheerlykt heeft.

§. XLI1. Maar deerlyk heeft de menfch doorrj den val God Vryheid onteerd, zyne eigene fchan- n delyk gemisbruikt, en ongelukkig verlooren, wan- q neer de Vrye Albeftuurder het aan den boozenh geeft toeliet, om deszelfs vryheid ter beproevinge en tot nadeel van den menlch te gebruiken. De verleider, weetende hoe eene teedere zaak der fchepzelen vryheid was , en, gelyk hem by ondervinding bekend was, hoe lichtelyk die gemisbruikt kon worden,had dien toeleg, om doordeeF 4 zen

oor 's lenfchen ïl wierd ods Vry» ïid ontïrd.