is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALOMTEGENWOORDIGE XVII. Verh. 245

naar zyn Weezen zich te houden , en zedert de Schepping zich niet verder daar buiten dan door deeze of geene Eigenfchap en derzelver werking te openbaaren. Maar welke ongegronde en onbetaraelyke bevattingen loopen hierin niet te zaamen ? Om maar iet van die ongerymdheden te noemen : gefteld , God was in den hemel naar zyn Weezen tegenwoordig , dan was de vraag, of Hy daar overal, zoo ruimen uitgebreid, als men zich den hemel verbeeldt, tegenwoordig is, dan of Hy bepaaldelyk ergens, en als ineen mid« delpunt van dien plaatzelyken hemel (want als eene plaats verbeeldt men zich dien by deeze onderftelling) tegenwoordig is ? Wat men nu ook hiervan kieft, dit gevoelen is in de klem, en kan niet op eene met de kennelykfte Waarheden beftaanbaare wyze ontward worden. Kieft men het laatfte, dan behoeve ik niet te erinneren, dat zulks een ligchamelyk denkbeeld van God onderftelt, dien men eene eigenlyk genaamde plaats toefchryft, zoo als dezelve aan de ligchamen toekomt. Kieft men het eerfte, dan is God op meer plaatzen te gelyk tegenwoordig in deeze weereld , of in 't Heel al, waarvan de hemelonlochenbaar een deel uitmaakt. Dit nu zoo zynde, dan is 'er geenftrydigheid of zwarigheid , waarom men niet zoude mogen ftellen , dat God Overaltegenwoordig is, en wel zoo als men Hem ergens bepaaldelyk,ten minften in den hemel, begrypt te zyn, dat is, naar zyn Weezen. Kan het met Gods Geeftelykheid en Eenvouwigheid beftaan, dat Hy op meer dan Q 3 eene