is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

456* OVER GODS

den aangemerkt, dan volgt uit Gods Omindigheid noodzaakelyk ook , dat wy Hem , die alle Volmaaktheden bezit, ook de Overaltegenwoordigheid moeren toeëigenen , en beiden zyn zoo naauw verknogt, dat de laatfte in zekere opzichten niet aaders is, dan zyn Oneindig beftaan, wanneer men dat aanmerkt in betrekking op de

fchepzelen buiten Hem. De Onmeetelyk-

heid van God verfchilt weezenlyk niet van zyne Overaltegenwoordigheid , waarom deeze onder geene begrepen en betrokken wordt by veelen, die beiden met eenen naam uitdrukken. En is Hy Onmeetelyk , dan kan Hy naar zyn Weezen neigens , by wyze van eene uitgebreidheid, die hier of daar ingeflooten of uitgeflooten zou zyn, bepaald zyn: dan kan 'er geen plaats, hoe groot en ruim men die zich ook verbeelden mogte, aangenoomen worden , om zyn Oneindig Weezen, en deszelfs tegenwoordigheid daarby aftemeeten: men neeme eene lengte, breedte, hoogte en diepte, zoo groot als mogelyk is, men vermenigvuldige die in zyne gedagten zoo zeer als men wil en kan, nimmer zal men daarheen kunnen komen, daar God niet zou tegenwoordig zyn. Hieruit blykt ook , dat zyne Overahegenwoordigheid voor eindige weezens Onbegrypelyk zy. Bepaalde gedagten en bevattingen fchieten veel te kort: is de ruime uitgebreidheid van 't Heel-al voor onze bekrompene denkbeelden onnafpeurlyk, hoeveel te meer dan Hy, wiens Weezen Oneindig en Onbepaald is, en binnen den omtrek der gefchapene