Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROMEINSCH LEGER. ai

hen niet fluiten, om datzy zich niet waardig zouden achten, den naam van Romeinen te draagen, indien zy over het zelvQ ook niet zegepraalen. Men behoeft zich dan niet te verwonderen, dat heirlegers, die, op zodanig eene heldhaftige wyze, zulke wel beleide raadflagen uitvoeren, hunne veroveringen zo verre uitgeftrekt bebben, dat dit trotfe Keizerryk aan 't Ooften door den Eufraat, aan 't Weften door den Oceaan, aan 't Zuiden door het vruchtbaarftegedeelte van Afrika, en aan "t Noorden door den Rhyn en den Donau. bepaald wordt; nadien men zonder vleiery zeggen kan, dat hoe wyd alle die Ryken en Landfchappen zich ook uitftrekken, het hart nogthans van dat Volk, het welk door zyne voorzigtigheid en dapperheid -zich meefler van de Waer eld gemaakt heeft nog grooter is.— Doch myu oogmerk met dit te zeggen is niet zo zeer, den lof der Romeinen te verkondigen, als wel deezen j welken zy overwonnen hebben, te trooften, en aan anderen den lust, van tegenhenoptefl-aan, te beneem en. Moogelyk zal dit verhaal ook dienftig weezen voor zulken, die, eene, goede krygstucht naar behooren Avaardeerende, geene by-» zondere kennis hebben van die, welke de Romeinen in den oorlog onderhouden.

Bis VIL

iii,

J50EK.

vi.

HooSffc,

Sluiten