is toegevoegd aan uw favorieten.

Alle de werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REDE VAN EEN YVERAAR. 187

de tot hen: „ Dat het waar was, dat zy de wapenen opgenomen hadden, op het bericht, dat de Inwooners de Stad pan de Romeinen overleveren wilden:; maar dat men nooit het minfte blyk van dat gewaande verraad befpeurd hadt, Dat zy, die voor befchermers der Vryheid wilden aangezien zyn, eenen burgerlyken oorlog verwekt hebbende, zodanig eene tyranny pleegden, dat het te wenfchen ware, dat men hen in den beginne gedempt hadde. Maar dewyl men zich met hen in zodanige misdaaden gewikkeld hadt, men ten minften moest trachten, die rampen te doen ophouden, en zuiken, die beftaan hadden alle vaderlyke Wetten om verre te ftooten , niet langer te verfterken. Dat de dood van ananus, en die van zo veele Menfchen, in éénen nacht omgebragt, wraak genoeg was, voor dat men hen in den Tempel belegerd hadt. Dat vee-* len van hun, ziende, wat fchrikkelyke fpoorloosheden begaan werden door deezen, die hen in dien oorlog gewikkeld hadden, zo dat zy zich ook niet fchaamden die te pleegen onder de 00gen der Idumeërs, hunne Verlosfers , zelfs berouw hadden, dat zy hen gevolgd waren , en de Idumeërs laakten , dat zy zulks verdroegen, en hen niet liever verlieten. Dat derhalven, dewyl het bleek, dat deeze gewaande verftandhouding met de Romeinen niet dan eene verdicht^ zaak was, en dat men tegen-

\vQor-

iv.

BOEK. xx.

Hoofdft.