Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goss JERUSALEM AFGEBRAND.

VI.

ÏOEK.

XLII. Hoefift.

XLTTI. Hoofdft.

Titus verwondering.

bet bloed ftroomde zo fterk door de Stad, dat de brand op veele plaatfen daardoor gebluscïit Werdt: doch tegens den avond hieldt de moord op; maar de woedende vlammen verfpreiddert zich, in den nacht, hoe langer te meer. —— Op den achttienden van Herfstmaand brandde Jerufalem aldus af, na dat het zo veele rampen, geduurende het beleg, hadt uitgeftaan, dat het benydenswaardig zou geweest zyn, indien hetzelve federt deszelfs ftichting ooit zo veel geluks en voorfpoeds genooten hadt: maar over geen ongeval is het meer te beklaagen, dan dat het zelf zulk een fnood gebroedfel voortgebragt heeft, het welk de oorzaak van deezen jammerlyken ondergang geweest is.

XLIII. HOOFDSTUK.

Titüs, binnen de ftad komende, verwondert zich voornaamelyk over den vestingbouw, en de toorens Hippikos, Fafaëlus, en Mariamne, welke hy beveelt ongefchonden te laaten, doende al V overige vernielen.

'"piTUs, binnen de Stad gekomen zyn•*- de, verwonderde zich, onder anderen over den vestingbouw, en aanfchouwde met verbaasdheid de fterkte der toorens, die de Tyrannen door on-

voor-

Sluiten