Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

XLIV. Hooi'dft.

504 LOT DER GEVANGENEN. 1

en de overige verfchoónen zoude: maaf de foldaaten, zonder op zyn bevel te! te pasfen, iloegen de oudenen de zwakken ook dood, houdende geene anderen over, dan die fluks van lyf en leden waren, welke zy binnen den Tempel in 't vrouwen-vertrek opflooten. De toezigt daarover gaf titus aan éénen zyner vrygemaakten, en aan zynen Vriend fronto, met volle magt, om met hen te handelen, zo als hy het goed vondt. Fronto deedt derhalven de roovers eri de oproerigen, die malkanderen beklapten, ombrengen; doch 'de jongften, fterkften, en fchoonlten bewaarde hy, om ten zeegenpraal te dienen; maar veelen, die boven de zeventien jaaren waren, zondt hy geboeid naar Egypte, om aldaar in de bergwerken te arbeiden. Voorts zondt titus een groot getal daarvan naar verfcheiden' Landfchappen om aldaar in de fchouwfpelen lyf om lyf, of tegen de wilde beesten, te kampen. Maar die onder de zeventien jaaren waren werden verkogt. ■ ■ Terwyl men zodanig eene verdeeling onder deeze gevangenen maakte, ftierven 'er. wel elfduizend van honger; fommigen, om dat hunne bewaarders, uit haat, hun niet te eeten gaven; anderen, om dat zy, uit een weerzin in 't leeven, niets wilden nuttigen; en eenigen, uit gebrek, nadien 'er naauwlyks koorns genoeg te bekomen was, om zo veele menfchen te fpyzen. > .

XLV.

Sluiten