Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

boek.

XLVI. Hoofdft.

508 SIMON EN JOANNES GEV.

ren. De flank, die uit deeze onderaardfche plaatzen voortkwam, was zo groot , dat veelen, niet kunnende dien verdraagen, terftond te rug keerden: doch daar waren ook anderen, die, weetende, dat men daar veele fchatten verborgen hadt, niet fchroomden op de lyken te treeden, en alles om te wroeten, om hunne gierigheid te voldoen. Men haalde ook veele perfoonen daaruit, welke, uit last van joannes en simon, daar gevangen waren ; nadien de wreedheid deezer Tyrannen in dien uiterften nood niet opgehouden was; maar god ftrafte hen eindelyk naar verdiende: want joannes, die zich met zyne Broeders in de rioolen verborgen hadt, werdt door zuiken onlydelyken honger aangetast, dat hy de Romeinen, welke hy dikwyls zo moedwilliglyk veracht hadt, om lyfsgenade badt. En simon, die, zo lang als hy kon. tegen zyn ongeluk worftelde, gaf zich ook over, gelyk in 't vervolg zal gezegd worden. Men fpaarde hem , als een offer, om ten triomfe te dienen, en joannes, om tot eene eeuwige gevangenis verweezen te worden Ca). Voorts werdt alles,

(a) Welk eene aanmerkelyke vernedering, welk een hoon voor deeze wee Mannen, simon en joannes, die zulke aanzienlyke Hoofden der Natie geweest waren! hoewel zy een erger lot, dan het geen zy ondergingen, verdiend hadden. Ds Romeinfche Staatkunde hadt, ongetwyfeld, gewigtige

Sluiten