is toegevoegd aan uw favorieten.

Alle de werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

POÉK» IV.

Hoofdft;

V. Hoofdft.

V. HOOFDSTUK.

Getuigenis/en der Egyptenaaren en Feniciërs wegens de oudheid des Joodfchen Volks.

A/faar om deezen, die my befchuldigen, x dat ik my aan de waarheid niet gehouden heb, 't eenemaal te befchaamen, zal ik toonen, en dat zelfs de Griekfche

Hïs-

106 OUDHEID DER JOODEN.

noch met geenen fchryflust behebt, en leevende, zo als ik verhaald heb, weinig bekend is geworden? Indien ik nu, om my te bedienen van dezelfde reden, die de Grieken bybrengen, tot bewys, dat hunne Natie niet oud is, zou zeggen, dat men onder ons niets daarvan befchreeven vindt, zouden zy, om het tegendeel te doen blyken, hunne nabuurige Volken niet tot getuigen daarvan voortbrengen? Het zy my dan geoorlofd het zelfde te doen, en my, onder andere getuigenisfen, te bedienen van die der Egyptenaaren en Feniciërs, wier getuigenis niemand verdenken kan; dewyl de Egyptenaars ons niet haaten, de Feniciërs ons niet beminnen, en die van Tyrus, in 't byzonder, onze vyanden zyn. Van de Chaldeen kan ik het zelfde niet zeggen: want zy hebben over ons volk geregeerd, en fpreeken van ons, uit hoofde van die verbindtenis met de onzen, op verfcheidene plaatzen in hunne Schriften.