Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5o!? TITUS VERFOEIJING.

XLI. HOOFDSTUK.

Titus, deeze onmenfchelyke daad verftaande, vervloekt zulk een affcbuuwelyk land, en be' tuigt, met opgehevene handen, dat by 'er onfchuldig aan is.

Zulk eene gruuwzaame en onmenfbhelyke daad werdt terftond door de ganfche ftad ruchtbaar , • waardoor elk fidderde , als of die moord hem vóór de oogen zweefde; en, van toen af, begonnen de oproerige Overften de fpys, die zy loofden, wel te bezien, opdat zy niet dergelyk een gerecht uit onkunde mogten eeten. Elk begon te vreezen , dat hy te lang leeven zoude, en wenschte derhalven te fterven. Ook kwam dit fchrikkelyk feit den Romeinen ter ooren; want veele Jooden werden door dit gruuwelftuk bewoogen, om tot hen te vlieden. Titus, dit vernomen hebbende, vervloekte dit rampzalig en affchuwelyk land, en , zyne handen ten hemel heffende, betuigde hy aldus: ,, Wy zyn wel tot deezen oorlog gekomen ; doch wy ftryden_ niet met menfchen, maar tegen woedende dieren. Wat fpreek ik yan gevoelige dingen, wy vechten tegen yslyke fteenrotzen. De wilde dieren beminnen hunne jongen, welke zy zelfs in hongerstyd verzorgen; eh die op vreemde lichaamen aazen, onthouden zich van hunne foort. Dit is eene ellende boven alle ellenden, dat eene moeder de leden, die uit haar gebooren zyn, gegeeten heeft. Ik ben zuiver van dien gruwel. Ik verontschuldig my vóór u, gy hoogfte Gezaghebber in , de.; ftemel! Gy weet, ja gy weet ze-

key»

Sluiten