is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding tot de plant- en kruidkunde [...] volgens het zamenstel van C. Linnaeus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Polygamia; 425

doch voos vanzelfftandigheid, paarfchachtig van Kleur , overlangs geftreept, en eenigermaate Wollig; by Verdiepingen bezet met Kransjes van Bladen, wier getal niet zeven maar zes is1 in ieder Krans, even als in het Ethiopifch Boompje by Plukenet, op deeze Soort aangehaald. De Bladen zyn gefteeld, van Lancetvormige figuur, aan de kanten zeer ruim getand , van boven glad, van onderen Netswys' geaderd , omtrent drie Duimen of een Handpalm lang , ftyfachtig en uitgebreid. In de Oxels van deeze Bladen , binnen het Kransje, komen eenige dik gefteelde Aairen voort, die in zeer ruige ftompe Schubben de Bloempjes bevatten ; waar van ik eenigen met het Mikros. koop onderzogt heb, en wier verfchillende Geftalte dus, by vergrooting, hier in Plaat is gebragt; om de eigen tlyke manier der Vrugtmaakinge van dit Gewas duidelyk te doen zien.

Een der Mannelyke Bloempjes is by A vertoond. Men ziet hoe dezelven Trechterachtig zyn , van buiten ruig en verdeeld in vier langwerpige Slippen of vierbladig, bevattende viei geelachtige Meeldraadjes , van langte als de Bloemblaadjes of Bloemkrans, en Eyronde witte Meelknopjes , aan de zyde der Draadjes aangegroeid , doch den top niet bereikende, gelyk in de nadere befchryving gezegd wordt (*) In deeze Bloempjes heb ik geen Styl gevon

den

{*) Mant, alt, p. 332.

Dd 5

11, Deei» VI. Stuk.

in;

XXI. ÜOOFDITUK.

Wmiik/a.