is toegevoegd aan je favorieten.

Handleiding tot de plant- en kruidkunde [...] volgens het zamenstel van C. Linnaeus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1$ V Ï.ERMANNIGE KRUIDEN.

IV. Dezelve wordt hooger dan eens Mans langte, AFjyEI" met ronde, holle, geknoopte, Haairige, geHoofd- takte Stengen, hebbende aan ieder Knoop een stuk. paar gevinde gekartelde Bladen, die een weinig J*%f ruig zyn. De Hoofdjes, op het end der Takken , waren, volgens hem, uit veele vyfbladige Blommetjes, bleek van Kleur,famengeiteld. De Kelk en Bloemkafjes zyn, even als in de Syrifche, Doornachtig gebaard, zegt de Ridder. Volgens den jongen Hoogleeraar Burmannus zou deeze Soort ook/aan de Kaap der Goede Hope groeijen (*).

1IT- C3) Schurftkruid met vierdeelige gelyke Bloms,r?''°a? metjes; gefchubde K&ken, gebaarde Kaf*

sy«fcn' jes, een gegaffelde Steng en Lancetvormi¬

ge Bladen.

Hier behoort het Heefteracbtig, breedbladig, wit Schurftkruid van C. Bauhinus , dat Perfikbladen heeften een AmethystkleurigeBloem, volgens Vaillant, groeijende in Syrië. Het draagt in de mikken van de Steng ongefteelde Bloemen, die byna geen Kelk hebben. Het Zaadkuifje is half Klootrond en het Pluis heeft twintig Tandjes, 't Is niettemin ook een Jaarlyks Zaay-Gewas.

(4)

(*) Prodr. Fl. Caf. p.

(3) Scabiofa Cor. quadrif. a:q. ttc. H. Cliff. R, Lugib. N. 2. Scabiofa Fmtic. Cans latifolia alba. C. B. Pin. 269. Moris. utf. f. 14. Scab. Peific* foli», Flore Amethyftino.

v*u.. A3. 17**. p. at*