Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grasplanten.

501

Daar toe weeken zy de Korrels in een Afkookzei der Wortelen van Wit Nieskruid; 't welk H v. het Gedierte , dat dezelven eet, dronken STuk. maakt. Zy worden op 't meefte vier Vinge- SptwfO» ren diep geftoken, en dan opfchietende,by de uitroeijing van het Onkruid , hetzelve , met de Aarde , by de Stengels opgehoopt; dat tevens tot befchutting ftrekt van den Stoel der Planten. Zo 'er ruimte genoeg is , wordt dikwils het Onkruid met de Ploeg uitgeroeid. De Heuveltjes worden eindelyk een Elle hoog en niet minder breed , bevattende gemeenlyk drie of vier Stengels van dit Koorn. De Uitloopers worden * 'er afgerukt; de verwelkte Bloemen afgefneeden ; 't welk de Aairen tot meer volkomenheid brengt, die eindelyk,ryp zynde , in de Herfst afgeplukt, en , wat te droogen gelegen hebbende, voorts tot bewaa. ring opgelegd of gehangen worden. De Wilden laaten hunne Mays-Aairen in een zagte Kook droogen, en hangenze dan op, aan het Dak hunner Hutten , waar door zy dezelven veele Jaaren , tot dagelykfe Spyze en ZaayKoorn , goed houden. Maar dikwils verbergen zy het in Kuilen van den Grond , op drooge plaatfen ; gedagte Kuilen eerst met gedroogde Boomfchors , Riet of Gras bekleed hebbende ; dat weleer by hun de gewoonte was en nog in tyden van Oorlog plaats heeft. .Dit is een uittrekzel van 't gene de Heer

V,TT r- 3 Kalm

II. Deel. xiii. Stuk.

Sluiten