Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Mossen» 493

Alle deeze zyn kleine Plantjes, het grootfte naauwlyks als een Duim of Vinger - Nagel, veel naar het Schurftmos gelykende, is zodanig, dat Haller ze naauwlyks daar van af-! fcheidbaar oordeelde. Verfcheide Soorten , daar van , kwamen hem in Switzerland voor. Allen vallen zy op vogtige plaatfen in ons Wereïdsdeel , en de laatflen groeijen zelfs in 't Water. Het Vlottende is in Vriesland, door Meese, waargenomen , die "er nooit Vrugtmaakingen in ontdekt heeft. Men vindt het in Slooten, Vyvers, by tropjes dryvende of ook aan het Kroos zittende. Het laatfte is in Staande Wateren van Engeland, als ook in Duitfchland volgens den Heer Schm:edel, gevonden ; het Zeegroene op Zandige plaatfen in Sweeden. Zy onderfcheiden zig, in 'c algemeen, door eene Roosachtige figuur; dewyl de Blaadjes uit een middelpunt fpreiden; dat echter geen plaats heeft in de twee laatflen.

Anthöceros. Hoornbloem.

De Mannelyke Teeldeelen zyn een onge. Heelde , Cylindrifche , onverdeelde Kelk, met -een Elsvormig, zeer lang, tweekleppig Meelknopje: de Vrouwelyke een zesdeeïige Kelk met drie Zaadjes, in dit Geflagt, dat wegens de Hoornachtigheid der zogenaamde Bloemen

II. Deel. XIV. Sros.

IX. Afdehl.

IV. Hooïd-

tuk.

Riccia,

Sluiten