Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A S I E N. 219

dat is:

En die Volkeren, welke het Lot aan de overzyde der uitgebreidde woestijne van Tartarien, in het afgekgenfleNoorden, eene woonfieede aanwees; aldaar waar zes maanden, over het gelyke van eenen bejlendigen Dag, glanzend hunne effen fopbaan doorvliegen; en na hen zes andere, verduisterd door Dampen, en door den Nacht omgeeren , hunne zwarte vleugelen voortzetten? —— Ik vraag , konnen de Bewooners dezer Plaatz en, wel onze Hemelkreis die fteeds veranderd, boven den hunnen kiezm, in welke Dag en Nacht in gelijke helften verdeeld zijn"? —— Konnen zij onze Zonne/dvjn , die in zulke eene engeLoopbaan ingeflooten is, niet verachten* terwijl zij met eenen /nellen fpoed van den Morgen, naar den Middag, en van den Middag naar den Avond ijlt, eer ons dagwerk naauwlijks ter helfte voïbragt is ? Konnen zij ons niet de kortheid der Nachten en gebrek aan Jchaduw voorwerpen ? Konnen zij ons niet tegenwerpen, dat eer de verjlerkende ruste des flaaps, de afgematte Leden verkwikt, weder een nieuwe zonne ens opwekt, om den last des Arbeids te draagen, die de Dag van gisteren overliet! Intusfchen zo dra de eerjls Jiraalen van den Morgenjiond hen verligt,konnen zij, {verzeekerd, dat een halfjaarigen Dag hen volgt.) gerust na de verst gelegen Wildernis, en de afgelegen. JU zee trekken, en met onbezweeken moed en kragt den Arbeid en de Gevaaren der Visfcherij trotzeeren —— en wanneer de Dag den Hemel verlaat, en duistere opeengepakte wolken , den Nacht van den naderenden winter, verkondigen; dan leeyen zij door den overvloed,

want

Sluiten