Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN TEMPEL. a$

den dienst in den toren gebrnikt werden.

Wij zaten naauwlijks, toen men een hoofd, op een piek gedoken, voor het venfter vertoonde. De vrouw van Tifon gaf eenen ijzelijken gil: de moordenaars meenden de ftem van de Koningin erkend te hebben, en wij hoorden het onzinnig gelach dezer wreedaarts. In het denkbeeld, dat hare Majefteit noch aan tafel zat, hadden zij het flachtoffer zoo geplaatst, dat' het zelve haar gezicht niet konde ontfnappen. Het was het hoofd van Mevrouw de Princes van Lamballe; hoe wel bloedend, was het zelve niet onkennelijk: haar blond hair golfde noch in gekrulde lokken om den piek,

Ik ijlde onmiddelijk na den Koning. De fchrik had mijn gezicht zoodanig ontfteld, dat de Koningin daar iets van merkte: het was hoogst noodzakelijk haar de oorzaak er van te verbergen; ik wilde flechts den Koning, of Mevrouw Elifabeth, er van verwittigen, doch de twee Municipalen waren tegenwoordig. „ Waarom gaat „ gij niet eeren"? vroeg mij de Koningen. „ Mevrouw I ik ben ongeftelj,

B s

Sluiten