Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 38 )

zat altyd iets van blyven hangen') Van JUVENAï, voor eene hoofdregel houdt, en dezelve meesterlyk opvolgt, zonder eens te vragen: waar mede betooge ik myne Lasteringen?

III. Pag. 12, heeft hy de verregaande onbefchaamtheid , te fehryven : dat ik den Predikant, door myne geheele levenswyze verdonker e, en alten , die my kennen, en met welke ik de eer heb te verkeeren, — in het oog te liegen. Ik ben Goddank ten vollen overtuigt, dat allen, die my in Breda en in den Haag kennen en de Waarheid beminnen, wanneer zy deeze lasterlyke plaats in bet Antwoord v. D°. S. zullen leezen , in Gedachten tot hem zeggen en uitroepen zullen: mentiris Caïn! Gy DQ. Sander, /preekt de Waarheid gelyk ze Caïn /prak. Voorzeeker! men zou, 't geen hy tégen my zegt, niet eens kunnen of durven tegen hem zeggen. Een zeeker zoort van Menfchen, diendt vooral een goed geheugen te hebben, om zich niet zeiven tegentefpreeken en zich leugenteftraffen! Eilieve! zoo het zoo waar waare, als het onwaar is, dat ik die Man ben, waarvoor hy my uitkryt, waarom heeft hy dan zoo fterk en hevig gerykhalst na de Verkeering met my, en na myne byzondere vriendfehap, (die hy echter Gode zy dank! nooit verkreegen heeft. Na de zyne te trachten, dat heb ik Goddank ! nooit gedroomt, of kunnen denken! ) Waarom heeft hy dan ten eene maale tegen myn Wil en zonder myne Voorkennis, myne Voornaamen in zyne Familie verplant, en zyn

Zoon

Sluiten