Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE ACHTING , AAN DEUGDZAAME , ENZ. 25

die toonen, dat hun vriendfchap nooit de waare is geweest, welke het allermeeste naar den verdrukten en ongelukkigen zijne hand uitftrekt. —Eu hoe veel verfchilt het genoegen , dat de gedagten nalaat, van één ongelukkige van zijne

medemenfchen van zijne medechristenen , als

een middel in Gods hand, en in naavolging van den liefdevollen en weldadigen Jefus, uit rampTpoeden gered te hebben, van de leedigheid en onverzadelijke begeerte, die alleen de tafelvriendfchap en eigenbelangzoekende gedienftigheid ten

gevolge heeft. En hoe veel behoorde de on-

beftendigheid van het ondermaanfche den zulken niet te leeren, dat het waerelds goed zeer fpoedig met behoeftigheid kan verwisfeld worden.

EEN VEREISCHTE TOT GELUK.

Begeerte naar geluk, is eene onuitwischbaare neiging in 's menfchen ziele; en geen wonder,

deeze eedele drijfveer der menfchelijke daaden en verrigtingen , plantte de Godheid in 't harte zijner reedelijke Schepzelen, tot verheevene eindens; die dezelve aan 't einde hunner verordening, op de 5 was-

Sluiten