is toegevoegd aan je favorieten.

Grondbeginselen der natuurkunde van den mensch.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WERKTUIG EN DE ZENUWEN. I7I

En daartoe behooren ook behalven het bloote celachtig weeffel, de opperhuid, met het flijm-' achtig netjen, de haairen en de nagels.

Wyders de kraakbeenderen en de beenderen met het beenvlies en het merg,

Verder de crekkers, de peesachtige uitbreid» fels, en de banden.

Als ook de meeste meer uitgebreide inwendige vliezen, als het harde herfenvlies en het fpinnewebsviies , het ribbevlies met de middel* fchotten en het hartezakjen; de penszak en ook het hoornachtig oogvlies enz.

Ook de meeste deelen van het opflorpend te zaamenftel, doch wel inzonderheid de chijlbuis.

Eindelijk ook de nageboorte met de navelftreng,

§• 205.

De eerfte beginfelen der zenuwen uit het ge-' waarwordingswerktuig zelf fpruitende, ontwyken het gefleepen oog en mes ; zelf is het noch geene uitgemaakte zaak, of de zenuwen van elke zyde haaren oorfprong nemen uit dien zelfden, dan wel uit den tegenovergeftelden kant van het gewaar-

pijn, eene mindere prikkeling van het merg niet zoude» ontwaar geworden zijn , alfchoon het met zenuwtjene voorzicn ware geweest.