Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HENDRIK en AN NA. 27

VIJFDE HOOFDSTUK.

Zij krijgen een bezoek van den Schout, veroorzaakt door de lastertaal der buuren 'i welk afloopt zo als 't behoorde. Hendrik verhaalt nog een geval betreffende zijne kinderen.

VTaar tegen den middag,ruim elf uuren, daar ik met nog iemand op het land, niet ver van ons huis aan 't werk was, zag ik een chais voor mijn huis ftil houden, en het erf opnaaien. Ik wist niet wat ik hier van moest denken ; doch kort daar naa riepen de kinderen , dat ik t' huis moest komen. Ik ging heen, en bevond dat het de fchout was,met nog een man , dien ik niet kende. Hendrik! zeide de fchout, wat volk houdt gij naa? Wat foort van luiden logeeren hier?Mag ik die eens zien , of flaapen zij nog ? gelijk ik hoor dat zij bij daag doen, en dat zij 'er bij nacht op uit gaan. Ik heb u altijd, zeide hij, voor een knap man aangezien , maar wat zal dat worden ? dat gaat heel verkeerd, gij zult in ongunst van de Regeering raaken, en dat erger is... Hier viel ik hem in de reden, en zeide, Mijn Heer! hier zijn nooit menfchen gelogeerd geweest , en (legt volk kan hier nooit verblijf krijgen, en ze vergen het ons ook niet. Wij hebben van bedelaars, nochlandloopers, geen overlast; en dat hebben wij ongetwijffeld aan mijn.Heer en zijn dienaars te danken, die de wegen fchoon hou- 4

den.

Sluiten