Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Leven des Menfchen.

21

gen ongenoemd Schryver drukt zich hierover op de volgende wyze uit: Bïffert. meiéts, pag. 252.

van geeftelyke wezens. Want neemt men zulk een eenvoudige geeftefyke zelfftandigheid aan , zoo zal men , zonder haare ondeelbaarheid te benadeelen, konnen zeggen, dat de plaats van haare onmiddelbaare tegenwoordigheid eene ruimte zy; want de eenvoudige grondftoffen der lichaamen zelfs moeten noodzaakelyk elk een ruimtje in het lichaam vervullen. Nu zouden echter zulke geeftelyke natuuren in de ruimte kunnen tegenwoordig zyn , zoo dat ze zeiven dfsniettegenllaande voor lichaamelyke wezens altoos doordringbaar bleeyen, dewyl haare tegenwoordigheid wel eene werkzaamheid in de ruimte , maar niet derzelver vervulling, d. i. eenen wederftand, ais de grond der vaftheid, inhieldt Want daar is geene bewysbaare onmogelykheid tegen, alhoewel de zaak zelve onbegrypelyk blyft, als ik ftaande houd: dat eene geeftelyke zelfftandigheid , offchoon dezelve eenvoudig is, nogthans eene ruimte inneeme , (d. i. in dezelve onmiddelyic werken konne) zonder dezelve te vervullen, (d. i. aan ftoffelyke zeifftandjgheden daarin wederftand te bieden.) Ook volgt daar niet uit, dat zulk eene ftoffeiyke zelfftandigheid uitgebreid moet genoemd worden: zodanig zyn immers ook niet de eenheden der ftoffe; want dat alleen, welk afgefcheiden van alles, en voor zich alleen beftaande , eene°ruimte inneemt, is uitgebreid. Maar de zelfftandigheden, welke de grondftoffen der lichaamen uitmaaken , neemen maar eene ruimte in, door de uiterlyke werking op anderen; maar voor zich in 't byzonder, wanneer geene andere dingen met dezelven in verbindtenis begreepen worden , beilaan zy geene ruimte. Dit geldt van de lichaamelyke grondftöffen. Men zoude dit ook eenigzins van geeftelyke natuuren moeten laaten gelden. Van beiden kan men zich ook geene gedaante als mogelyk voorftelien, dewyl de omtrekken der uitbreiding

de gedaante bepaalen Daar benevens kunnen wy niet

weeten, welk eene betrekking tusfchcn de grondftoffen van ons Lichaam en die onftoffelyke zelfftandigheden , die wy geeften noemen, beftaat. Want de laatften hebben de eigen, fcbap, dat ze in eene ruimte, die van fïofte vervuld'is, kunnen tegenwoordig zyn; zy bezitten derhalve de ondoordringbaarheid niet, en men mag zich dezelve zoo veel vereenigd voorftelien , als men maar wil, zoc zullen zy toch nooit een vaft geheel uitmaaken. De grondftoffen zyn wel eenvoudige zelfftandigheden; maar derzelver faamenvoeging B 3 maakt

Sluiten