Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUITSCHE P R I N C E S. 233

mcnlceving van menfchen beftaan, en wy zouden ons in de allergrootfte ongerymdheden, en in de grootfte tegenzcggelykhcden neerftorten.

Indien de boeren goedvonden tetwyffelen aan het beftaan van hunnen bailluw, en de foldaaten aan die van hunne officieren, in wat een verwarring zouden wy niet gedompeld worden ? Zoodanige ongerymdheden hebben geen plaats dan onder de Wysgeeren, een iegelyk andere, die zig daar aan overgeeft, moet van zyn zinnen beroofd zyn. Erkennen wy dan, dat deze overtuiging een voornaame natuurwet is, en dat wy 'er zeer innerlyk van overtuigd zyn, fchoon wy de waare redenen daar van volftrektelyk onkundig zyn , en dat wy zeer ver af zyn om die op een verftaanbaare wyze te verklaarcn.

Hoe gewigtig deze aanmerking ook is, zoo is die nogtans niet buiten zwaarigheden; maar hoe groot die ook zyn, en wanneer wy die zelvs niet zouden kunnen oplosfen, zoo brengen die geen de minfte aanval mede tegen de waarheid, die ik bepaald heb, en die wy moeten befchouwen, als de alleryafte grondflag van onze kennisfen.

Men moet toeftemmen, dat onze zintuigen P 5 zig

Sluiten