Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over PSALM. XVI. io.

Goden den meestén fthaak hadden. Hierom volgt 'er zeer gepastlijk, Ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, of üiiftortén, plengen; ik zal hunne naatnen op mijne lippen niet neemen; de naamen, te weeten, van de onderaardfche Goden, welke bij zulk eene gelegenheid wierden aangeroepen Cyj. Van alle zodanige dwaaze en godlooze verrigtingen had de godvrugtige Koning den uiterlten afkeer. Het bijgeloof mogt daarmede hunnen fchrik voor den dood eenigzins in flaap wiegen ; Op veel beter grond was het, dat hij denzelven onbefchroomd kon onder de oogen zien.

Want in tegenflellinge van het gemelde, gaet hij dus voort in het 5de vers, De Heere is het deel mijner erve , mijns lots eigenlijk , en mijns bekers , of

mijn

(y) Zie ZEfchyl. Choëph. v. 122, &c. Heliodor. 1. c. p. 293. jtsAA* Tf^cf tY,i etAijvdiotv /3«{j3^£a'f T2 'A'a\ %ni?av<ri 9*1» ctxoyv ovófjtetiri «*TSu|i»jt*snj. De maan aanroepende met veele onverftaenbaare en vreemdluidende naamen. Plutarch. de Supertit. p. 166.

nxi xapavouï"» to dHusjjta t£j iveiftuoK.

Met ongerijmde naamen en onverftaenbaare woorden de Godheid mwettiglijk onteer en , ten bewijze van Goas> dienftigheicl. Zie ook Lucian. Necyom. Tom, I. p, 465. ibid. 469, Orac, Zoroastr. Chald. v. 516*. : En de Propheet houdt hier ook het gebod van 's Heeren Wet in het oog, Exod. XXIII. 13. Den naam van andere Goden zult gij niet gedenken 3 uit uwen mond zal die niet geboord worden.

Sluiten