Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GVE& DE ZONDEN DÊR MENSCHEL. 22?

en. van zijnen heiligen wil, door het vermogen der zinnelijkheid en der hartstochten eenmaal van den aardbodem verdrongen was % zoo verduisterden of verboren zich ook wel rasch de noodzaaklijkfte en meestgelukkig maakende, doch met de voorgaande in het naauwst verband ftaande kundigheden onder ons ongelukkig gedacht, de kundigheden van onze verheven beftemming, en van den weg tot onze gelukzaligheid. Of de ziel onftervelijk zij, of dat zij met het lighaam een einde name ? Of een beter leeven na den dood, dan wel de toorn en wraak der goden haar verbeidde? Of men door deugd of door ondeugd de gunst dezer ingebeelde, zo ligt tot toorn geneigde en zoo bezwaarlijk verzoenbaare wezens verworve? En waarin eigenlijk de deugd beftaa? Dat alles was, in die donkere tijden, of volkomen onbekend, of in even zoo ongerijmde en belagcheüjke, als donkere en verwarde verdichtfelen gewikkeld. Hoezeer ook toen, in andere opzichten, wetenfchappen en kunften bloeiden en de grootheid des mensch* lijken verftands, en deszelfs verheven vermogens ten toon Helden; zoo was echter, in dit gewigtigfte gedeelte der menschlijke belangen, elke ftraal van licht en waarheid ver* P a doofd,

Sluiten