Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c )

kundt zien, en voorfpellen, het geen in het vervolg van tvd, niet zeer waarfchynlyk, maar vaft en zeker zal gebeuren.

Gy Myn Heer! hebt het dan vry fterk op myne Onkunde begreepen, en kundt den Mond 'er geen oogenblik van toe houden. Gy geloofd, of wilde ten minften de Waereld zulks diets maaken, dat ik, by myne vrypostige Neuswysbeid, naar pag. fl2 van uw Libel, en, daar ik een verrekykende of byziende Polyhistor ben, roem draage op myne Onkunde. Deze door u verzonne Leugen herhaald gy verfcheide maaien , en byna op elke Bladzyde. Neen, Myn Heer' ik heb in myne Voorrede, myne geringe Kundigheden beleeden, en dit is geen roemen op dezelve. Vergun my toch dit gering genoegen, aan de Waereld te zeggen wie ik ben, ik vergunne u immers ook het grootfpreeken, van uwe verbaazende en raazende Kundigheden, die u tot een Monfter in het Ryk der Geleerdheid maaken, zo dat een ieder voor u vreezende en bange, u te voet valt, op dat gy hem maar in vrede moogt laaten.

In het taxeeren van myne Onkunde, gaat gy nu pag. 13 zo ver, dat gy my tot eenen Ketter maakt, en vermits het voor my te veel Eer zoude zyn, my eeenen waaren Ketter te noemen, dewyl om zulks te zyn, meer Kennis en Ver ft and word gevorderd, dan ik bezitte , behaagd het uwe Goedheid' nochtans, my eene Plaats te vergunnen, onder de Kenen uit Onkunde of by Abuis. — Zekerlyk

eene

Sluiten