Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over JES. LXI. i, 2, 3. 521

zij, van welke hier gefproken wordt, of de verlosfinge des Israelitifchcn volks uit de gevangenis van Babel, of Gods zaligmaakende genade door het Euangelium verfcheenen.

I. In den eerften opflag zou men zeggen, dat hier Jefaias zelve fpreekt in zijne eigene Propheetijen, die van zigzelven mogt betuigen, dat de Geest des Heeren op hem was, die een waaragtig Propheet was, van den H. Geest verligt met de kennis van het toekoomende, en gedreeven om Gods raadflagen den menfehen bekend te maaken. Dog het heeft ook niet de minfte ongerijmdheid in zig te oiderltellen, dat dezelve in zijne Propheetifche verrukkinge den Mesfias hebbe hooren fpreeken, en deszelfs redenen te boek gebragt. Die de Godfpraaken, welke van denzelven zijn voorafgegaen, met ons aandagtiglijk befchouwd hebben, denzelven kan dusdanig een tooneel geenzins vreemd voorkoomen. Deeze Chris ■ tus zou nog met grooter regt dus zijne reden aanvangen; als welken God zijnen geest niet met maate ge. geven (i) had. —» Wederom als men hoort betuigen, de Heere heeft mij gezalfd, is het gereeder te denken, dat dit voortkoomt van hem, die de Mesfias, de Christus, de Gezalfde des Heeren bij uitfleekendheid genoemd wordt, die al van Davids tijd onder deezen naam bekend ftond, en van welken Jefaias zo menigvuldige voorfpellingen heeft voortge-

bragt;

(/; Joan. III- 34.

Kk 5

Sluiten