is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der doopsgezinden, vooral omtrent den eed, [...] in zes brieven van Philo-biblos aan Mennophilus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 17 )

liger wilden zvn dan Tefus, en iets weigerden•' aïtf door Hem verboden, \ geen Hy, gezegend, by

' her-

Cy weet, boe weinig het by my afdoet, wat de meer vroome,/yverige en welmeenende, dan wel doorgeleerde en diepdenkende Menno gezegd hebbe. Hy toch, hoe zeer ook naar de opvoeding en léiding, welke hy in zyne eerfte Ievensjaaren gehad bad, en naar den tyd en gelegenheid , waarin hy leefde, een inderdarrd u'tmuntend inan, was teffens een feilbaar mensen-. Evenwel ik moei u eenigzins gerust f'cenen,en der nagerfachtenisfe van den man recht doen , door uit andere plaatfen zyner Werken te toonen , in hoe verre de bedoelde uitdrukking met Zyn gevoelen omtrent de ongeoorlofdheid van den eed, zoo als hy die verklaarde, beftaanbaar was. Gy zult de uitdrukking zelve vinden in zyne Verhandeling ovec de Nieuwe Geboorte (bladz. 124 a. in zyne Werken, gedrukt te Amirerdarfi in 't jaar 1681,) waar hy zich omtrent des Heilands zeggen tot Nicodemus dus uitdrukt t „ Trouwe Lezer! nemet waer, deze woorden en zyn va?»

genen menfche verfiert, noch ingefet; zy en zyn oock „ van genen Conciliën opgeworpen noch beftoten, maer „ fy zyn dat onbedrieglycke diere woordt, hei welck de„ Soone' Gods, Christus. Jefus, uit fyns Vaders mond tot

ons gedragen, ende den goeden vroomen Wetgeleerden,, Nicodemo met eenen dobbelen eed bezworen heeft." Dnrj op eene andere plaats zyner Werken verklaart hy zich hieromtrent nader; als voor eerst in het ftuk , getyteld : Grswdelycke bekentenisfe &c. (als boven bl. 472b.) gezegd hebbende, dat ons des Heeren eigen mond verboden heeft, dat wj geenfins zweeren fullen, had hy daar by gevoegd: Verflage? in tydelycke dingen, en geeft dan deze redan van dit byvoegfel: Myn Leefer mereke wel-, wy feggen in tyde„ lycke dingen (of in tydelyck handelen) en dat om defe „ oorfaecke; want om dat Christus in zyner leere wel i, fomtyds dat woordt voorwaer gebruykt heeft , Mattheus? s, XVH: 20. XVIII: 18. Joarmes 111:. 3. VIII: 34. X: i, „ enz, en oock Paulus den Heere tot een getuige over

zyn ziele geroepen heeft, foo meenen fommige, als dat „ daar mede rechtte fweeren wel vryjlaet, en mereken niet, „ dat Christus en Paulus' fulks niet in eenige tydelycke „ handelen , als om vleesch en bloedt, ofte om geit ea

goet, dan tot esn bevestitige des eeuwigen vvaerheydts,

„ te»