Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP MOJJDELTJKE VOORDRAGT. 337

70 algemeen geklaagd wordt. Hij daarentegen, die den toon van zijne uitfpraak in 't gemeen formt naar de gewoone wijze van fpreeken , zal niet zo ligt in het geval komen, van door eentoonigheid te mishaagen. Hij zal de zelfde natuurlijke verfeheidenheid van toonen hebben, welke men vindt in de dagelijkfche gefprekken. Een volkomen goede Voordragt vordert, dat de Redenaar deze beide onderfcheidene manieren , de Leevendige en Eenvoudige Spraak, en de Deftige Declamatie in zich vereenige , en zich, naar dat de onderfcheidene deelen van zijne Redevoering het vereifchen , nu eens van deze, dan eens van gene weete te bedienen. Deze volmaaktheid wordt flechts van weinigen bereikt. Verre de meesten van hun, welke in het openbaar fpreeken, laaten zich , in dit opzicht van het geval leiden, en formen zich eene Uitfpraak naar de eene of andere flembuiging, welke hun fraai toefchijnt, of naar eenig kuns. tig patroon, 'x welk hunne verbeelding heeft ingenoomen, en gewennen zich hierdoor aan eene bijzondere foort van Uitfpraak , waaraan zij geene verandering weeten te geeven, *

■ . Aa 3 Ein-

* Loqutre, zegt een Schrijver van de voorgaande Eeuw , die in Verzen eene Verhandeling over dit onderwerp heeft gefchreeven,

1 Loquere; boe vitium commune, loquatur Ut nemo, at ten/a declamitet omnia voce, Tu kquere, ut mos est bominum. Bont et latrat ille 5 Me ululat; rudit bic; fari fi talia dignum est. Non hominem vox ulla fonat ratione loquentem. Joannss Lucas de Gestu et Voce, L. II, Paris

Sluiten