Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over het Heldendicht. 23$.

de van Dido in de Aeneis , en de Nétten van Armida in 't Verloste Jerufalem, welke een zo groote ruimte in; die beide dichtftukken beftaan, kunnen eigenlijk geene Epifoden genaamd worden. Zij behooren wezenlijk tot het werk, en maaken een aanmerkelijk gedeelte uit van de Intrigue van het Dichtftuk.

In de tweede plaats moeten de Epifoden on« voorwerpen vertoonen, verfchillende van die, welke reeds vooraf zijn gegaan, en die nog ftaan te volgen. Want het is voornaamelijk verfoheidenheidshalve , dat men Epifoden in het Heldendicht invoert. Zij moeten daartoe dienen , om in. een zo omflagtig- werk het onderwerp af te wisfelen , cn den leezer door verandering van tooneel ecnigszins te verademen. In 't midden van gevegten zou dus een Epifode van eenen oorl.ogszuchtigeu aard niet te pas komen; daar en tegen geeft ons het bezoek van Heitor aan Andromache in de Ilias, en het voorval van Erminia met den fchaapherder in het zevende boek van 't verloste Jerufalem, een vrelgekoozen en aangenaame rustplaats, waar wij onsivoor een' tijd van het'flagyeld en.de gevegten (verwijderd bevinden. - Eindelijk, .daar de Epifode opzettelijk tot fieraad in'het ftuk wordt, gevoegd,- vereifcht dezelve bijzondere kunst en fraaiheid ; en hjerom vindt men ook, dat de Dichters gemeenlijk in Jlukken van dien aard alie de krachten van hun

ver-

Sluiten