Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I38 frans van der trenk,

genden inhoud, met verzoek om het zelve aan trenk bij zijne aankomst te overhandigen: „ Mijn lieve baron! verwonder u niet, mij op de beftemde Plaats niet meer aa itetreffen. Het bericht dat Lestoch zich in vrijheid geilek hadde, noodzaakte mij andere maatregelen tot mijne veiligheid bij de hand te nemen. Gaat in het bosch waar uit gij gekomen zijt te rug. Aan de rechter hand ftaat eene koolenbranders hutte. De koolbrander is een man aan wien ik mij vertrouwen kan. Hij heeft in mijnen naam dit briefjen gefchreven, om mij niet door mijn eigen gefchrift te verraden. Ik verwagt u met een onuitfpreekelijk ongeduld, kom haastelijk tot mij en red mij, enz." Deeze list gelukte naar wensch. Trenk kwam in de herberg; maar hoe ontfteld was hij te hooren, dat de baronnes voor eenige dagen weg gereist was, zonder hem te kunnen zeggen waarheen? Hij fchreeuwde, raasde, vloekte en dreigde in de eerfte hitte, den waard en de waardin te zullen doordeken, indien zij zich daar over niet verder wilden uitlaten.. Beiden verontfchuldigden zich met hunne onwetenheid , alleen zeide de waardin, te vermoeden dat een brief, die de baronnes over eenige dagen hadt ontfangen, en die haar zeer naardenkelijk gemaakt In it, fchulüg aan haare fpoedige afreize moest geweest zijn. Op eenmaal herinnerde zich ook de waard het briefjen, dat men hem ter bewaring hadt overgegeven, en waagde het onzen held te vragen, of hij zich niet baron van trenk noemde? Zoo dra deeze daar ja op hadt geantwoord, voegde 'er de waard bij: Gisteren heeft een onbekend perzoon deeen brief hier afgegeven; mogelijk zult gij daar uit

wel

Sluiten