Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a6

REDENVOERING OVER

ELiHü in het 37 Cap. vs. 21 eene treffelyke befchryving van Gods Majesteit en magt in de wonderen der Natuur, en wel bepaaldelyk omtrent de vernevelingen, geevende, zegt „ en ziet [men het licht niet als van „ het Noorden het goudt komt ? By God is eene

„ vreeslyke Majesteit!" Het fpreekt van zelfs

„ dat men hier op geen eigenlyk gezegd goud te denken hebbe, vermits, dit by eene befchryving der verhevelingen niet te pas komt: maar wel op eenen naar goud gelykenden glans. (*> Elihu zegt dan „ ziet ,, men het licht niet als van 't Noorden eene naar

„ goud gelykende glans, of vuurige glans komt?

En waarlyk daar de Donder en Blixem meermaalen als byzondere teekenen van Gods Majesteit bygebragt worden, waarom zoude men 'er ook een even glansryk en verheeven tooneel, in een dichtftuk niet bybrengen? te meer daar in het Land Uz, 't welk Job

be-

(_*) Zie hier over j. a. schultens Comrh. in Jobum ad finem Capids vs. 21. & 23. Dat in deeze plaats van het Noorder Licht gewaagd word, hebben reeds de Schryvers der Acta Lipfienjia gezegt.Zie Aft. Lipf. 1740: p. 470. feq. en zy waren hier in voorgegaan door den Engelfchen Godgeleerden wesley, die in zyne Difertationes in Librum jobi, in 1731. in folio uitgegeeven, dit

(tuk opzettelyk behandeld heeft. De kennis van 't geen

die Schryver 'e» over gezegd heeft, ben ik, onder andere zeer veele merkwaardige aanmerkingen, verfchuldigd aan Wy len den beroemden Godgeleerden, den HeerecHAis, die in i78overneemen. de dat ik aan een werk over het Noorder Licht bezig was, my de eere deed eene fchoone verhandeling over 't geen men daaromtrent in de Heilige Schrift vind, ten roynen behoeve op te nellen en my te fchenken.

Sluiten