is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der menschheid.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M E N S C H Ö E t D. VII. BOE IC, i"}9

delingen verfchuldigd waren. Hunne Grootmoedigheid , Matigheid, Onthoudendheid waren zy meestal verfchuldigd aan gebrek van bekend te zyn met verlydende bekoringen, welke hunne Nakomelingen verdorven hebben. De Dapperheid, die algemeene Deugd deezer Gemeenebestgezinden , was by de meesten een overblyfzel der Barbaarsheid; en de Wreedheid, met welke zy verzeld ging, is er een bewys van. De gezuiverde Rede* de waare Liefde tot het Goede, maakten verre of" na het Charakter deezer Volken niet uit. De Verbeelding en de Hartstochten waren nog fteeds de magtigfte en byna de cenigfte Dryfveeren, welke zelfs de besten onder hun beheerschten. Op deeze grondde zich het gezag der Wetten en der Overigheid , gelyk het in Despotieke Staaten op de Eenvoudigheid en Onwetendheid gebouwd was. Gelyk de lAnnelykheicl daar Gehoorzaamheid en Stütè bevestigde , zoo verwekte de Verbeeldingskracht hier Eerzucht en rustelooze Ongebondenheid. Hun toeftand was derhalven byna niet anders, dan eene fchitterende, verfynde, en door de gelukkige invloeden der Wysheid vaneenigewaarlykdeugdzaame en verlichte Mannen verzachte Wildheid. Dus was de bloeiende toeftand der Grieken en Romeinen een zeer luisterryk, maar tevens een zeer vergang. lyk verfchynzel. Zodra de algemeene gevaaren verdweenen (*),

zo-

(*) Maximus van Tyfus toont dit zeer wel aan van de M 2 Grie-