Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sommige PERSOONEN, enz. 363

„ dit maal zeiven treffen; gy zult ondervinden, „ dat 'er geen God is, die my gelyk is! Myne „ hand wilde ik iritftrekkèn, van de aarde wilde „ ik u verdelgen — maar nog zult gy zien, dat „ ik myne magt aan u openbaare, dat myn naam ., in alle landen bekend zal worden. J\og ver„ treedt gy myn volk; nog wilt gy 't niet laaten „ heenen gaan. Zie, morgen zal de hagel Egip„ ten bedekken." (*) En des niet tegenftaande blyft Pbaraö de harde önbuigzaame Vorst, die ligtvaardig met Gods bedreigingen fpeelt, die fomwylen zeer ootmoedig van zyn verzondigen fpreekt, in den drukkenden nood onder Mofes en Aarm bukt, hen om vergeeving zyner misdryven bidt (t), en dan evenwel dezelfde mannen, wanneer zy hem fterker aandringen om het volk te ontflaan, den dood durft dreigen.

Deeze flap is merkwaardig; boosheid en wreedheid ryzen hier in Pbaraö's Charakter tot woede. Hy gevoelt 't dat de wraak van God hem drukt; dat hy hem eindelyk te magtig zal worden, voor wien hy, reeds meermaalen van zyne hoogte, diep vernederd , zich heeft moeten onderwerpen ; — in zyne gramfchap omhelst hy het Iaatfle middel. „ Wacht u, (hiermede zendt hy Mofes weg,) wacht „ u dat gy niet wederom voor my verfchynt. „ De dag, waaiöp gy komen zult, zal de dag „ uwes doods zyn! (§)" Wanneer het hart zo verre komt, dat het door dwingelandy den man, die het de waarheid zegt, van zich tracht te ver-

wy-

(*) Exod. IX, 13 — 18.

Ct) X, 16.

C5) X, 28.

Aa 5

Sluiten