Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

486

Gregorius de zevende.

woond wierd, ten gefchenke aanteneemen (*). Wanneer men dit bijgebragte ver'écnigt met het gedrag van Gregorius omtrent Hendrik, met deszelfs ban over Philippus van Frankrijk en Roisert Gui-

chard, met den eed, welken hij vorderde van

hem, die na Rudolfus Keizer wierd, en bij welken hij wilde, dat deze beloofde, zoo als het eenen Christen betaamt, alles te zullen doen, wat de Paus

■ hem zoude beveelen, en denzelven bij het genot van alle eigendommen te zullen befchermen , welken aan den Roomfchen ftoel, door wien het ook ware, mogten gefchonken worden, en dit alles op de ftraf

op kerkroof bepaald, en verlies der zaligheid;

wanneer men voorder hem , in den brief, bij welken hij Hendrik in den ban doet, Paulus en Petrus hoort bidden, hunne wraak zoo openlijk aan Henduik te willen betoonen, dat de geheele waereld daaruit zien kon, dat hij, niet bij toeval, maar door

hunne kracht gevallen was; wanneer men, in

ditzelfde Decreet, den Paus God hoort bidden, dat hij den Keizer toch verderven wilde (f); wanneer men dit alles in overweeging neemt, wie wil

-dan lochenen, dat Gregorius, indien hij al de Dictaaten niet daadelijk gegeeven, egter overëenkoomende den inhoud van dezelven gédagt en gehandeld heeft. Zie hier deze Dictaaten, zoo als dezelven door de Schrijvers, welken dezen aan Gregorius toeëigenen, worden opgegeeven (§). i. De Room-

fche

(*) Epift. 51. Lib II.

(f) Pr,uf Gemard. Cap. 107.

(§) Onupbrius Pantin, vita Gregor. Baron ad A, 1076. N. 31. feqq

Sluiten