is toegevoegd aan uw favorieten.

De invloed en uitwerking van het christendom, op de vorming en den toestand der volkeren van Europa.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238

De tijden na

maar daar uit moest ook volgen, dat zij andere bezigheden kreegen, dan zij tot dien tijd toe gehad hadden.

Even dit, dat de Pauzen de Monniken aan zich verbonden, bragt ook andere veranderingen in hunnen toeftand te wege, zelfs zoodanig, dat de Westerfche Monniken, na de zesde Eeuw, bijna in niets meer aan de oude Oosterfchen gelijk waren. Ik moet dit verklaaren, en dit doe ik fteeds met hetzelfde oogmerk, om naamlijk te doen zien, waaruit het kwaad des Monnikswezen zijnen oorfprong had. Wij hebben reeds getoond, dat de Monniken in de vroegfte tijden niet als Geestlijken, maar als Waereldlijken wierden aangemerkt (*). Deshalven was het hun ook verbooden. zich met prediken en andere geestlijke verrigtingen bezig te houden (f). Ook mogten zij niet gindsch en herwaards gaan, noch hunne Kloosters verlaaten (§): ook ftonden zij allen, niet alleen de Monniken, maar ook^Xierzelver Abt, geheel onder den Bisfchop (**). De Bisfchop had destijds het recht, den Abt te verkiezen, en niemand dagt er nog aan, dat de Paus zich daarin

men-

(*) Conf. Gratian. Cauf. XVI. qu. I. c. 39. (f) Leo I. ep. 63. Capitul. addit. 4. Apud Baluz. cap. XXXIII.

(§) Capit. ap. Baluz. I. col. 945—10(59. & alibi. Syn. Verin. Capit. Pipin. A. 755. apud Baluz. I. col. 172. re Romam aut alibi vagenrur.

(**) Capit. Carol. M. A. 802. c. II. apud Baluz. I. col. 3<5[. Conc. Aurelian. I. c. 11. Abbates pro humilitate religionis in epifcoporutn poteftate confiltant.