Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWAALFDE GEZANG. 237

en wacht mij bij het kruis. Ik zal gaan , en van het opperhoofd der Romeiuen fpoedig terug komen , ook zal ik lijnwaad tot de begraaving medebrengen. En hij fpoedde ! Zoo fpoedt het befluit, om een ander leeven te leiden, wanneer het oprecht is , en elk befluit der zonde vergeefs het hoofd tegen dat voorneemen opheft, of hem vergeefs fluimeringen , en zaligheid toezingt , zoo fpoedt het tot de dood ! Hij, die van Arimathea was , bereikte weldra hel paleis van den heiden , en vond hem omringd door onrust ; hij zag Porlia bleek , en haar oog duister van jammer. Pilatus, Y/at begeert gij van mij ? Jofef. Het lighaam van dien dooden , Pilatus , dien gij niet kendet , en dien gij , verleid door mijn volk, op dezen dag liet kruifigen op Golgotha. Ik wil Hem begraaven. Pilatus. Wat toch gaat u de doode aan ? Jofef. Zeer veel , o Pilatus, en alleen minder, dan den Richter , die boven is, den God der goden ! Pilatus. Aan den vloed Kocytus, en niet in den hemel , richten de goden ! Hij niet ,

dien

Sluiten