Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIENDE GEZANG. 29

Ik verlies mij, God ! o Geever ! Uitvinder, Voleindiger van dit alles ! Ik was niet, ook niet de hemel der hemelen ; toen beraamdet Gij het, God ! Wij werden, wij leeven , en ftijgen alle op ontelfaaare trappen elk op eenen anderen, telkens op nieuwe trappen der zaligheid, van eeuw tot eeuw, op, en houden niet op van hooger te klimmen, want Gij zijt een oneindige Geever, een oneindi« ge! Beevend zweeg zij , en vol blijdfchap , dat zij reeds op haaren legenwoordigen trap ftond. Zij verrukte den kring der erfgenaamen des leevens, en deze zongen haar toe, en het lidderen hunner harpen werd don» der : Oneindig is Hij, oneindig de Geever! Hij is oneindig ! en wij zijn eindig .' 'Gevoel vol verrukking, van den grooten Geever, den Vader der wezens , der liefde, genade voor genade te ontvangen ! o dorst, die eeuwig geftild wordt. Ach , eer zullen de nieuwe aardklooten in duisternis , eer zullen de nieuwe hemelen in fchemering verdooven, eer de onledigbaare eeuwige ftroom uwer ontferming de dorstenden ledig Iaat! Zie,

aan

Sluiten