Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'ZEVENTIENDE GEZANG. 29

boog de takken , om meer fchaduw te geeven, en de zonneftraalen meer af te keeren. En offchoon hij , bij de vrolijke bezigheid der loofgeevende takken te heren, en te verkoelen , langs het graf der hemellche zuster voorbijging , trof hem echter de traan van het aandenken des doods niet. Ik zie haar weldra weder ! en hij plukte zelf de bloemen op het graf. Reeds hadden zich aan de beek, met de harp en het fnaarcntuig , de gefpeelen zijner jeugd rondom eenen palmboom gelegerd, met de aaoor , de cymbaal, het blaashoorn, en die bazuin , die geenen jdonder uitgalmt , die Hechts van eenen fchellen toon trilt. En zij voelden vooraf de bhjdfchap der liederen, die, als nu de avondfter verfcheen , en de zilveren maan, met de fter , zich van den palmboom rondom in het lommer zouden uitgieten. Van tijd tot tijd was nu de genodige vergadering gekomen ; en zij zaten in het rond in de luchtige belommering , en gevoelden blijdfehap, die nu niet meer vol onbedaardheid de ziel overweldigde, die, gelijk zagt-

vloei-

Sluiten