is toegevoegd aan uw favorieten.

Fanny Wilkes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. BOEK. S3<?

ïeevens ware. Mijne laatfte gedagte, zo als ik mij op dit oogenblik leevendig herinnere, was eene ootmoedige bede, „ dat mijn Vader niet mogt

verdoemd worden." En nu ftierf ik, naar

mijne gedagten. Doch het was nog de dood niet; 't was niet meer, dan flaap."

„ Ik droomde, dat de Lord met zijne Bedienden, in honden veranderd, op mij aanvielen, en mij uit het graf fleepten, waar in ik neder lag. Eerst zag ik hunne woede zeer bedaard aan , om dat het mij onverfchillig was, door welke Dieren mijn doode ligchaam verfcheurd wierd. Eindelijk echter werden de aanvallen dezer honden zo hevig, dat ik mijn lijk al dieper in het graf drukte, waar op zij zo luid' begonnen te janken, dat ik, tot mijne groote droefheid, weder leevendig werd. Ik ontwaakte, en zag, terwijl ik oogenbliklijk even vlug was, als of ik geheel niet geflaapen had, dat waarlijk drie groote honden op mij los barften. Op een hevig gefchreeuw, dat ik maakte, fchooten twee Mansperfoonen ter mijner hulpe toe."

„ lk wil uw verlangen niet ophouden, waardffe Misf! Beide deze Luiden waren Vleesch-houwers, die eene kudde Vee op dezen morgen naar London dreeven. Zij ftonden verbaasd over den toeftand en de kleeding, waar in zij mij aantroffen; doch betoonden op„.di$ ;oogenblik een harteJijk mededogen. Zij hadden een kleenen wagen

bij